Home.
Laatste Nieuws.
Historie DOB.
Feiten en weetjes.
Bestuur.
Dit zijn we.
Activiteiten.
Uitslagen.
Foto's.
Ledenlink.
Verjaardagen.
Spelregels.
Werptechnieken.
Woordenlijst.
NJBB.
Contact.
Archief.
Galerie.

10’s webstudio

Welkom op de site van D.O.B. D.O.O.B.

Werptechnieken

Rollen

 

Bij het rollen raakt de bal binnen een afstand van 3 tot 5 meter van de werpcircel de grond, waarna de bal zo dicht mogelijk naar het butje rolt. Voor deze worp is het belangrijk dat de baan goed gelezen wordt, daar er veel oneffenheden in de baan kunnen zitten.

Lage lob

 

Bij de lage lob wordt de bal met een boog gegooid zodat de bal halverwege de werp-circel en het butje de grond raakt. Hoe hoger je de bal gooit, hoe korter de bal zal uitrollen. Het uitrollen wordt ook bepaald door de mate van contra effect.

Hoge lob

 

Bij een hoge lob wordt de boule zeer hoog in de lucht gegooid zodat de bal bijna verticaal naar beneden valt. De bal raakt de grond op minder dan 1 meter van het butje. Ook bij deze worp is de mate van contra effect (waardoor de bal terug wil rollen), vooral bij harde ondergrond, belangrijk.

Worpen voor tireurs:

 

Tireren is spectaculair maar vraagt opperste concentratie, vaardigheid en kracht. De beste tireurs zijn echter niet diegenen die het hardst gooien. Het doel van tireren is het raken van de bal van de tegenstander, zodat de bal bij het butje weggespeeld wordt. Net als bij pointeren zijn er verschillende manieren om te schieten.

Worpen voor pointeurs:

Er zijn verschillende manieren om een bal te pointeren (leggen).

De hieronder vermelde technieken zijn voor pointeurs de meest voorkomende.

Ijzer op ijzer schieten

 

Dit type schot wordt voornamelijk gebruikt op onregelmatig terrein. De bal van de tegenstander moet men recht in het midden raken, een schot op het ijzer dus. Dit is het moeilijkste schot, dat veel nauwkeurigheid vereist. De boule moet de tegenstander raken zonder de grond te raken. Het perfecte schot noemd men een "carreau".

Indirect schieten

 

Een van de meest voorkomende redenen dat tireurs de boule van de tegenstander missen. Is dat de boule over de tegenstander heen springt (m.n. bij harde banen). Om dit te voorkomen kan men het beste kort schieten. Laat de boule 20 tot 30 cm landen voor de boule van de tegenstander. De aanvallende boule rolt door en ketst de tegenstander weg. Deze worp is alleen geschikt voor zanderig en vlak terrein. Zelfs het kleinste steentje kan er voor zorgen dat men het doel mist.

Slepend schieten

 

Bij dit schot wordt de bal zo hard mogelijk gespeeld, waarbij de boule 3 tot 4 meter voor het doel de grond raakt. Het grote nadeel van dit schot is dat de speelbal alle onregelmatigheden van het terrein tegenkomt, waardoor het ongecontroleerd wordt. Het resultaat is dus zeker niet voorspelbaar.

Ervaren petanque spelers hoor ja vaak zeggen dat het beter is om 80% succesvol te tireren met 50% carreau, dan 90% van de schoten te tireren zonder een enkele carreau!

 

Trainingsoefeningen voor pointeurs:

Balans van de speler:

 

Plaats de boule 3 tot 4 meter van de werpcircel. Probeer de boule te raken vanuit een gehurkte positie. Het doel van deze oefening is om, in een gehurkte positie, uw balans en stabiliteit te verbeteren. Vanuit gehurkte positie zijn oneffenheden in de baan makkelijker te ontdekken. Deze positie wordt vaak bij harde banen toegepast.

Landingsplaats

 

Teken een aantal kleine circels met een diameter van 10 tot 15 cm op verschillende afstanden van de werpcircel (een paar ronde matjes van vloerbedekking werkt ook erg gemakkelijk en is erg duidelijk). Gooi dan vanuit gehurkte of staande positie de boule zodat hij in 1 van de circels land. Het is mogelijk om zo de hoge en de lage lob te oefenen.

Doel

 

Markeer een punt op de baan op 8 tot 9 meter van de werpcircel. Teken rondom het doel 5 circels, zodat er een soort van dartboard ontstaat. Iedere circel krijgt een aantal punten. Maak een serie van bijvoorbeeld 5 worpen en kijk of je je score dagelijks kunt verbeteren.

Effect

 

Deze oefening helpt om het effect dat aan een bal gegeven wordt te controleren. Teken een kleine circel op 3 tot 4 meter van de werpcircel. Teken een rechte lijn rechts en links van de circel. Laat de bal in de circel landen, maar geef de boule een zodanig effect dat als de boule de grond raakt hij naar en over de vooraf gekozen lijn rolt. De stand van de werphand is belangrijk.

Voor rechthandige geldt:

 

Hand neutraal               Bal recht vooruit

Naar buiten gedraaid    Linksom effect

Naar binnen gedraaid   Rechtsom effect

Natuurlijk blijft het belangrijk vooraf de baan te lezen.

 

Trainingsoefeningen voor tireurs:

Schieten

 

Oefen het schieten op een boule die steeds verder van de werpcircel ligt (max. 10 meter). Vervolgens kan de oefening bemoeilijkt worden door een butje te gebruiken in plaats van een boule. Een andere oefening is om het de te schieten boule op een verhooging te leggen, bijvoorbeeld een rol tapijt of een boomstam.

Met deze oefening dwing je jezelf om je arm hoog op te tillen en niet kort te schieten.

M.a.w. ijzer op ijzer.

De getrokken bal

 

(1 van de moeilijkste worpen) Oefen de getrokken als volgt: Teken een lijn op zo'n 9 á 10 cm voor de te tireren boule. Geef de geworpen boule een contra-effect zodat de boule terug en over de lijn rolt als hij de aan te vallen boule raakt. Het schot kan gebruikt worden als een boule achter het butje ligt. Men schiet de boule weg en rolt zelf richting het butje.

Carreau

 

Bij tireren is het belangrijk dat u carreau kunt schieten, omdat u dan geen hinder van het terrein hebt. De volgende oefening helpt hierbij: Leg de te tireren boule op de grond en teken er een circel met een diameter van 50 cm omheen. Oefen nu het tireren zodanig dat de aanvallende bal niet uit de circel rolt (een blijver). Start de oefening op 2 á 3 meter van de werpcircel en vergroot vervolgens de afstand tot 8 á 9 meter en verklein ook de diameter van de circel. Goed tireren vraagt veel oefening zoals bijvoorbeeld 3 tot 4 keer per week.

De achterste boule tireren

 

Deze oefening vergt veel van de spelers zijn precisie. Plaats 2 boules, liggend achter elkaar, met 2 boules ruimte ertussen, op 8 á 9 meter van de werpcircel. Probeer nu de achterste boule te tireren zonder de voorste boule te raken.